Test, 1, 2, 3

Dit weekend heeft de Cat voor een eerste keer gezeild.
Opnieuw stond er amper wind maar voldoende om wat indruk op te doen en bovendien was er veel zon, aangenaam in het algemeen en voor het resultaat van de fotografie in het bijzonder.

Gezien ik deze boot zelf heb gekozen en gebouwd is de beschrijving volkomen gekleurd maar waarachtig … Echt!

Ze heeft niet veel wind nodig om er vandoor te gaan en blijft tegelijkertijd beheerst voor de zeiler. Overhellen in vlagen gebeurt met een (hele) zachte inleiding. Stabiliteit is een kenmerk voor deze kleine schuit.
Klein jazeker, 4 meter is inderdaad niet veel maar ze is 1,7m breed. Dat is meer als ruim voldoende voor een avonturier.

Dat ze snel op dreef komt maakt het nog geen wedstrijdboot want gijpen of overstag gaan gebeurt met dezelfde gemoedelijkheid eigen aan haar gezapig temperament.
Bij de maneuvers is het best om even het hoofd te buigen als de giek over komt -al is het maar uit beleefdheid en een goede gewoonte in een zeilboot- maar “hoofd tussen de kniën” is niet nodig.

Deze 120 kg volledig opgetuigde Cat met haar 9,2m² zeil zal vermoedelijk bij +3Bft voor een solo-recreant genot bieden met een eerste reef in het zeil.
Een Finn bijvoorbeeld weegt 107 kg met 10,6m² zeil. Oké, geen appels met peren vergelijken maar ik denk dat het bedoelde comfort behoorlijk kan afnemen met de Cat als je ze solo zeilt met haast 4 Bft. Een reef (of twee -zoals je wil) maakt de tocht zoetjes, niettegenstaande dat de golven beginnen te breken.

Roeien is er bij de gelegenheid ook aan te pas gekomen omdat de wind (lang) weg bleef terwijl we met zijn tweeën midden op de Spuikom dobberden. Dus dan maar de giek opgehesen met de kraanlijn en de roeidollen in de aanslag.
Deze boot is geen roeiboot maar ze roeit makkelijk. Eén keer op dreef is de inspanning minimaal om de vaart erin te houden. Met het zwaard naar beneden houdt ze koers en zijn roeifoutjes on-afgestraft. Het roer volgt de koers als een lammetje.

Besluit: Een stabiele ruime boot met een beetje pit en veel karakter.

Waterlijn oké

Zijn er aan zee dagen met volkomen windstilte?
Jazeker maar zelden, en ik begin te vermoeden dat ik daar zelf de oorzaak van ben.
Veel kans dat als ik met een nieuw speeltje bij de waterkant opduik dat de wind gaat liggen. Maar zie, U stelt samen met me vast dat op de rimpelloze plas de waterlijn op de nieuwe boot goed geslaagd is, aan die gunst hebben de weergoden niet gedacht!

Hoe ze zich gedraagt onder zeil is na het korte tochtje moeilijk in te schatten, maar het 10m² zeil geeft de notendop een flinke duw als er even een zuchtje wind in blaast. Daarover bij een andere gelegenheid meer.
De boot voelt behoorlijk stabiel als je er in rond beweegt, uiteraard niet zo stabiel als een klein jachtje maar wiebelig is ze niet, onder tuig is ze volkomen bedaard.
Jep ik heb er even mee geroeid en welja, zoals te verwachten zijn de eerste paar halen met de riemen de zwaarste, daarna is het ritme en koers houden zonder veel inspanning (jaja ik weet, er was geen wind noch golfslag).

Zo, de echte test voor een volgende gelegenheid dus

Nieuw zeil voor de Cat

Het was even wachten maar kijk het zeil is er.
Een perfect afgewerkt zeiltje van de zeilmakerij Wittevrongel. Ik kon begrijpelijk niet wachten om ze “provisoir” op te tuigen -kwestie van zien of ik én de zeilmaker het plan goed hebben bekeken- maar de sterren stonden in één lijn en alles klopt.

Nu zou een geoefend oog kunnen opmerken dat het onderlijk te kort is; Dat is het niet, de giek is wat te lang. Een voorzorg die ik neem nadat ik één keer een nieuw zeil kreeg dat te lang was. Daar is niets meer aan te verhelpen (ging over een exotische aluminium geëxtrudeerde giek indertijd) en sedertdien maak ik uit voorzorg alle rondhoutjes iets langer.
In geval van deze giek is het er over en moet het afgekort worden. Klein bier vergeleken met er een stuk aan breien.

Over breien gesproken, de mast van dit onverstaagd gaffeltuigje draagt een hoeveelheid van lijntjes die mijn (bermuda-tuig-) hers zwaar belasten zoals ook kantklossen dat zou doen.
Het staren naar de lijntjes in de masttop omhoog in de zon maakt me bovendien nog eens optuigblind. Niet mopperen, een zonnebril Mijnheer.

Ziezo, deze voorlopige optuig-sessie is afgerond, alles past. Nu nog een keer opzoeken hoe het snel en doelmatig kan.
Daarom maar de foto’s van onze Ko-boot opzoeken, die Hollandse boot zat vol met vernuft. Afkijken lijkt me gepast.

Niet te voorzien wanneer ik deze Cat op het water zal kunnen presenteren maar het zal weldra én goed zijn.

Even Improviseren

Op één of andere manier heeft een overzeese familie er lucht van gekregen dat ik een tijd geleden een houten Minisail heb gebouwd waarvoor ik geen gebruik meer heb.
(Met dank aan de maat die dit discreet bemiddelend heeft bewerkstelligd)

Het ziet er naar uit dat Minsail 9000 naar de gemeente Boston U.S. verhuist.
Dat is ver.

Om het hele pakket netjes verscheept te krijgen stootte ik verhip op een zagerij in het Kortrijkse -niet zover hier vandaan- die serdert jaar en dag alles wat zwaar, heet en onmogelijk is verpakt en verscheept.

Met MS 9000 ben ik nooit spaarzaam omgesprongen maar veel littekens van gebruik of wedstrijdjes varen heeft ze niet opgelopen.
Eén flinke deuk is er. Toen een losgeslagen Finn me overvaarde over bakboord aan de startlijn en in zijn wilde vaart er nog wat boten ramde. Die deuk mag blijven, ze vertelt een verhaal.

Maar goed, deze boot heeft in 8 jaar geen nieuw laagje vernis gezien.
Ze is er niet aan toe (nauwelijks lang buiten in de zon of op het water geweest) maar ze is een beetje dof geworden.
De romp moet gewassen, licht geschuurd en gelakt worden. Dus ze moet op schragen.
Ok, even niet veel plaats over om te werken met drie boten naast mekaar maar het zij zo.
MS 9000 zal haar glans terug krijgen.
En het is te voorspellen; Het zal vulgair teveel glans (blingbling) zijn, maar dat slijt gelukkig na een paar tochtjes. Oh ja, de foto’s tonen de stand van zaken voor de vernis-klus.


Wachten op een zeil

Paul Gartside 14 foot catboat

( Nieuws na deze post op ’21/08/31′: Het zeil word deze week gemaakt.)

Een nieuwe boot van tuig voorzien is de kers op de taart.
Oogjes opschroeven en blokjes vastknopen, lijnen afmeten.
En dan zien dat de voorstag haakt achter het blokje van de kraanlijn.

Daarvoor zijn er warme zomer-avonden waarbij ik rustig de boel weer laat zakken en één en ander verbeter.
Maar nu is ze afgewerkt, helemaal klaar… Ware het niet dat de zeilmaker mijn opdrachtje van zes maanden geleden uit het oog verloren heeft: Het zeil is er nog niet.
Dus niet echt -of beter- echt niet helemaal klaar. Zolang er geen zeil is om ze te betuigen kan ik ze niet presenteren op het water.
Komt goed, in afwachting heb ik een stel onbruikbare roeiriemen die ik 25 jaar geleden maakte gehalveerd in gewicht naar de roeibladen toe.
Die zijn nu helemaal top en echt klaar.

Rondhoutjes klaar

Ze zijn mooi rond glimmend met een rustiek kantje en zoals te verwachten was de aanmaak minder tijdrovend als de afwerking.
De rustiekheid is te vinden in de onvolmaaktheden die na het lakwerk te bespeuren zijn, maar goed het is dan ook geen Japanse Shinto Torii. Ik bewonder mateloos de perfectie en afwerking van traditioneel Japans schrijnwerk maar heb er helaas het geduld niet voor.

De 4,5m lange mast is een relatief zwaar en moeilijk te hanteren artikel.
Zoals deze boot getekend en gemaakt is zou het zelfs voor een potige bouwvakker op een windstille dag een uitdaging zijn om de mast te zetten zonder de boot of zichzelf te bezeren.
De mast moet namelijk (haast) loodrecht in de mastdoft geschoven worden; Te doen maar moeilijk op zijn minst.

Paul Gartside -de ontwerper- moet een seizoensboot in gedachte hebben gehad.
Eén om op te tuigen in het voorjaar, te water met een zeilhoes van pakweg april tot oktober en in het najaar aftuigen en naar de berging.
Dat is volkomen eerbaar en mogelijk maar niet bij mijn opzet (Dan zou ik ze ondermeer van een andere undercoating hebben voorzien), deze leukerd moet van de ene naar de andere locatie kunnen worden vervoerd en gemakkelijk op- en afgetuigd kunnen worden door één persoon voor dag trips.

Daarvoor heb ik de mastdoft veranderd en versterkt. Het is niet langer een plankje met een gat erin maar een dikke plank met een uitsparing.
De mast kan nu vanuit horizontaal naar rechtop gezet worden in één handeling. Ook van op het water, wat een voorwaarde is om ze te kunnen varen onder bruggetjes.

De romp is klaar, nu het rondhout

Heeft De Ijssel Coatings het aandeel pigment in de witte lak verminderd of ben ik vergeten hoe het nauwelijks meer dekt als halfvolle melk?
Het zal het laatste zijn en uiteindelijk ben ik gestopt bij vier lagen. Goed voor de boot zo’n hoop laagjes (nu al zeven met de laagjes primer erbij geteld) en een geduld test voor mezelf.

Met zijn vieren hebben we de romp weer rechtop gezet en kon de zwaardkast erin gelijmd, de caissons afgedicht, de neus gelijmd en andere artikelen gemonteerd worden.
Tot op het vreemde moment dat ik dacht “Hola, is deze nu klaar?”.
Waarschijnlijk niet helemaal, of beter helemaal niet.

Maar zie ik gooi er straks een stofhoes overheen en begin aan de mast, de giek en de gaffel. Rondhout zoals de Noorderburen het noemen.

Hierboven is de aanzet voor de mast te zien. Het is een haast 4,5m lange sliert, conisch toelopend van 86mm diameter basis naar 48mm aan de top. En voor ca. 2/3 van de lengte hol.
Hoe hol? Wel ik heb het eenvoudig gehouden; In de twee latten (de mast-helften) heb ik een holte gefreesd die eens samengesteld 25 x 25mm x 2,7m bevat.
En als een goudsmid heb ik het schaafsel van die stofwolk opgeveegd en gewogen. Dit artikel is 2,3 kg lichter geworden.
Benieuwd hoeveel het geheel uiteindelijk zal aangeven op de weegschaal want ik betreed nieuwe grond; Als bouwer van pluimgewicht bootjes is dit voor mij een knoert.

Verf

Een nieuwe houten boot in de lak zetten is een delicaat evenwicht tussen overdrijven en ongepaste zuinigheid. Het wordt geen vleugelpiano aan de ene kant en anderzijds wil je niet dat het werk aan de de vele details verloren gaat door vroegtijdig rot of delaminatie.
Vermoedelijk moet ik nog wat bijleren over het rendabel toepassen van verfsystemen want het schildersklusje aan deze boot is onvoorzien lang.

Het resultaat echter zal er niet onder lijden, deze romp zal -mits regelmatig nazicht- twee tot drie generaties goed blijven. Drie lagen primer en drie polyesterslak lijken me voldoende om mee te beginnen.

Waarmee deze boot zich onderscheidt van andere ‘stitch and glue’ ontwerpen is dat de romp niet helemaal bekleed is met glasvezel. Enkel de hoeken zijn ermee versterkt.
Dat betekent op termijn een romp die beter bestand is tegen rot.

Ik ben geen liefhebber van het schilderen van een waterlijn op een romp, het verdoezelt de waarlijke vorm die het volume inneemt in en uit het water.
Maar bij dit ontwerp met de neus net onderwater en de spiegel haast boven water ziet het er zo mooi uit op de tekening dat ik er maar voor ga.

234 liter

Tweehonderdvierendertig liter lucht zou er in de zij-caissons zitten volgens mijn berekening, hetzij een keer honderdzeventien liter aan bakboord en honderdzeventien aan stuurboord.
Zo, mijn drang om een keer getallen voluit te schrijven is hiermee gekoeld.

Of dit volume genoeg is zal de praktijk moeten uitwijzen maar een ca. 300kg wegende Ilur heeft 330 liter drijfvermogen en dit bootje is veel lichter, dus dit zou moeten volstaan.

Eerder bouwde ik een houten Minisail, dat is simpel beschreven een waterdicht sigarenkistje in vorm van een dikke surfplank.
En lucht- en waterdicht was ze; de koude lucht in de romp zet uit in de warmte van de zon en ware het niet dat de waterpluggen eruit knalden als een Champagnekurk, de romp zou gebarsten zijn. (Na dit voorval boorde ik een 3mm gat in het dek en alles was peis en vree).

Zal het zo’n vaart gaan met deze caissons? Ik denk het niet, die hebben vier kunststof schroefluiken. Artikels die gegarandeerd lekken.
Mooi, maar voor alle zekerheid kit ik er een binnenbandventiel in “pour la petite histoire”, een truc geleerd van Minisail bouwers 50 jaar geleden.

Je weet maar nooit.

De romp ziet er momenteel uit zoals hierboven. Helemaal volgens plan, hoewel ik de optie voor waterdichte luchtkasten overlangs aan stuur- en bakboord tot voorkort heb in beraad gehouden.
Mogelijk mag het geen rol spelen maar ik vind dat die ontzettend afbreuk doen aan de charme van een houten boot. Alternatieven zijn er; Luchtzakken onder de zijdoften of grote fenders, ook passende schuimblokken verpakt in canvas zag ik een keer als charmante oplossing voor drijfvermogen.
Maar die gaan er uiteindelijk uit, wie wil er op termijn zulke omvangrijke volumes blijven meezeulen.
Dus dan weet je maar nooit en koos ik voor de veiligste oplossing de luchtkasten.

De kasten krijgen twee waterdichte luikjes aan weerskanten, zo is er plaats om wat spullen droog in op te bergen, en regelmatig de caissons te ventileren.

Voor alle duidelijkheid: De platen voor de luchtkasten op deze foto’s zijn de hardboard malletjes waarmee ik straks de definitieve platen in vorm breng.

Meer van het thema “Je weet maar nooit”: Laatst zag ik op tv een praatgast zitten op een barstoeltje. Een stoeltje van het type op één centrale poot. De vriendelijke praatgast woog beslist +150 kg. Kan hè.
Mijn gedachten gingen uit naar de ontwerpers van het stoeltje, ook bij zo’n belasting moet het meubeltje stand houden. En metéén dwaalden mijn gedachten af naar de boot in de maak, zoals die nu voorzien was zou de zaak het vroeg of laat begeven met zo een gast aan boord.
De meest kritische ligger (die van het achterdoft) is nu behoorlijk versterkt en de ligger onder het voordoft wordt later van hetzelfde caliber. De tussenschotjes dan ook maar metéén aangepakt.

Onnodig? Vermoedelijk, want ik zie een 150+kg medemens niet zonder voorbehoud spontaan in een dergelijk sloepje stappen, maar kijk aan de constructie zal het niet gelegen hebben moest het verkeerd aflopen.